Waarom Flex-e draait om inzicht in flexibiliteit
De Flex-e regeling is bedoeld voor bedrijven en instellingen met een elektriciteitsaansluiting groter dan 3×80 ampère die door netcongestie worden beperkt in groei of verduurzaming. Volgens RVO kunnen organisaties in 2026 subsidie aanvragen voor drie onderdelen: een flexibiliteitsscan, een haalbaarheidsstudie of het uitvoeren en in gebruik nemen van flexibiliteitsmaatregelen. De aanvraagperiode loopt van 6 mei 2026 tot en met 15 oktober 2026.
Dat klinkt op het eerste gezicht als een subsidieregeling. In de praktijk is het vooral een vraagstuk over stuurinformatie. Welke momenten veroorzaken druk op je aansluiting? Welke processen zijn verschuifbaar? Welke assets kunnen tijdelijk minder vragen, later laden of energie opslaan? Zonder goede meetdata blijft flexibiliteit een aanname, terwijl de regeling juist vraagt om onderbouwing van effecten, haalbaarheid en maatregelen.
Bekijk voor de formele voorwaarden altijd de RVO-pagina over Flex-e. Wij richten ons hier op de energiedata die je helpt om sneller te bepalen waar de ruimte zit.
Welke data je nodig hebt voor een goede flex-scan
Een flexibiliteitsscan moet laten zien waar flexibel elektriciteitsgebruik mogelijk is. Daarvoor is een jaartotaal niet genoeg. Je wilt zien wanneer pieken ontstaan, hoe vaak ze terugkomen en welke installaties of processen op die momenten actief zijn. Juist de combinatie van kwartierdata, contractgegevens en operationele context maakt het verschil.
- Verbruiksprofiel per kwartier: laat zien wanneer pieken optreden en of ze structureel of incidenteel zijn.
- Gecontracteerd transportvermogen: maakt zichtbaar hoeveel ruimte er nog is binnen de bestaande aansluiting.
- Opwek en teruglevering: helpt bepalen of zonnestroom lokaal beter benut of tijdelijk beperkt kan worden.
- Assetdata van installaties: verbindt pieken aan laadpunten, koeling, warmte, productie of andere regelbare vermogens.
- Locatie- en portfolioverschillen: voorkomt dat één gemiddelde conclusie wordt toegepast op gebouwen met ander gedrag.
Met deze basis kun je onderscheid maken tussen flexibiliteit die echt beschikbaar is en flexibiliteit die alleen op papier aantrekkelijk lijkt. Dat is belangrijk, want maatregelen zoals batterijen, buffers, slim laden of procesverschuiving hebben alleen waarde als ze aansluiten op het werkelijke profiel van de locatie.
Van haalbaarheidsstudie naar maatregel
Een haalbaarheidsstudie gaat een stap verder dan een scan. Dan wil je niet alleen weten waar flexibiliteit zit, maar ook welke maatregel technisch en financieel verdedigbaar is. Denk aan energieopslag, warmtebuffers, koelbuffers, procesaanpassingen of slimme sturing van laadinfra en gebouwinstallaties.
Daarbij wordt de kwaliteit van de energiedata nog belangrijker. Als je pieken niet goed toewijst, loop je het risico dat je een batterij dimensioneert op een probleem dat maar enkele keren per jaar voorkomt. Als je geen onderscheid maakt tussen werkdag, weekend, seizoen en bezettingsgraad, mis je juist de momenten waarop verschuiven wel haalbaar is. En als je opwek, verbruik en teruglevering los van elkaar bekijkt, zie je niet welke maatregelen elkaar kunnen versterken.
Een sterke studie vertaalt meetdata daarom naar scenario’s. Wat gebeurt er als laadpunten later opstarten? Wat als koeling eerder wordt voorbereid? Wat als een batterij vooral pieken afvlakt in plaats van energiehandel nastreeft? Wat als meerdere locaties binnen een portefeuille verschillende rollen krijgen? Door scenario’s op dezelfde databasis te vergelijken, kun je beter uitleggen waarom een maatregel past bij de locatie.
Wat dit betekent voor vastgoed en organisaties met meerdere locaties
Voor vastgoedbeheerders, gemeenten en organisaties met meerdere locaties is Flex-e extra interessant, maar ook complexer. De ene locatie heeft een laadplein, de andere een warmtepomp, een derde vooral kantoorverbruik en een vierde een combinatie van opwek en teruglevering. Daardoor is het zelden verstandig om één standaardmaatregel over de hele portefeuille te leggen.
Portfolio-inzicht helpt om locaties te rangschikken. Waar is de netruimte het meest knellend? Waar zijn pieken voorspelbaar? Waar is flexibiliteit technisch uitvoerbaar? Waar levert een scan voldoende op, en waar is een haalbaarheidsstudie of investering logischer? Door die vragen op basis van data te beantwoorden, kun je budget, aandacht en subsidieaanvragen richten op de plekken waar de kans op resultaat het grootst is.
Daarnaast helpt centrale energiedata om interne afstemming te verbeteren. Energiebeheer raakt steeds vaker vastgoed, facilitair management, finance, duurzaamheid en operatie tegelijk. Een gedeeld dashboard of rapportage voorkomt dat elke afdeling met een ander beeld van verbruik, piekbelasting en prioriteit werkt.
Hoe je nu pragmatisch begint
De beste voorbereiding op Flex-e begint niet met het kiezen van een maatregel, maar met het ordenen van de informatie die je al hebt. Verzamel aansluitgegevens, EAN-codes, contractvermogen, kwartierdata, bekende installaties en eerdere energieanalyses. Controleer daarna of de data compleet genoeg is om pieken, flexibiliteit en verwachte effecten te onderbouwen.
Wij zien in de praktijk dat veel organisaties al bruikbare data hebben, maar dat deze verspreid staat over meetbedrijven, energieleveranciers, gebouwsystemen, Excel-bestanden en losse rapportages. Daardoor kost elke analyse opnieuw tijd. Door die bronnen te centraliseren, wordt Flex-e niet alleen een subsidieaanvraag, maar ook een stap naar beter energiebeheer.
Wie dit goed aanpakt, krijgt meer dan een momentopname. Je bouwt een basis waarmee je pieken blijft volgen, maatregelen kunt evalueren en gefundeerde beslissingen kunt nemen over de volgende stap in verduurzaming.